Verhaal van pand 72bis. M.A. Tellegen/J. Schwartz

Marie-Anne Tellegen steeds actiever in het verzet

http://www.youtube.com/watch?v=6U9M2APzZuc

Marie-Anne Tellegen, die in 1942 ontslag heeft genomen bij de gemeente Utrecht toen daar een NSB-burgemeester in de plaats kwam van haar vorige baas Ter Pelkwijk, raakt steeds dieper verzeild in het verzetswerk.

Een van de organisaties waar ze mee gaat samenwerken is het Utrechts Kindercomité. Dat comité is in juli 1942 ontstaan: bij de eerste razzia in Amsterdam sinds het begin van de deportaties nam een Utrechtse studente in één keer (met toestemming van de ouders) negen joodse kinderen mee, die ze onderbracht bij de moeder van collega-student Jan Meulenbelt. Zoon Jan werd erop uit gestuurd om adressen te zoeken waar de kinderen zouden kunnen blijven. Meulenbelt kwam in contact met Ger Kempe, medewerker aan het Criminologisch Instituut van de Utrechtse Universiteit, en samen besloten ze toen het Utrechts Kindercomité op te richten, dat zich speciaal ging bezighouden met het vinden van onderduikadressen voor joodse kinderen. Dat begint allemaal in Utrecht-zuid, waar mevrouw Meulenbelt woont, maar het comité kiest spoedig heel Nederland als werkterrein. Het zijn uitsluitend studenten die op pad gaan om adressen te vinden en mensen over te halen kinderen in huis te nemen.

Het Kindercomité gaat ook op bezoek bij aartsbisschop De Jong aan de Maliebaan en verlaat het aartsbisschoppelijk paleis met een gift uit het ‘fonds voor bijzondere noden’ van 12.500 gulden. De organisatie groeit en groeit, naarmate de intensiteit van de jodendeportaties toeneemt. De namen van de kinderen en hun onderduikadressen worden nauwgezet bijgehouden in een codeboek. Uit veiligheidsoverwegingen besluit het comité dat codeboek onder te brengen op een bijzondere plaats: de kluis van aartsbisschop De Jong aan de Maliebaan.

De kerngroep bestaat eind 1942 uit ongeveer vijftien studenten. Ze brengen de joodse kinderen onder bij pleeggezinnen, en als dat niet kan tijdelijk in het weeshuis ‘Kindjeshaven’  aan de Prins Hendriklaan in Utrecht-oost. Daar zijn de leidsters Trui van Lier en Jet Berdenis van Berlekom erop ingespeeld om joodse kinderen een andere identiteit te geven en als niet-joodse weesjes op te vangen. Vanaf voorjaar 1943 komen de joodse kinderen meestal van één bepaalde plek: de crèche aan de overkant van de Joodse Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam. Daar worden geregeld kinderen ‘verduisterd’ – dat wil zeggen weggehaald, in wasmanden, onder wijde jassen en ook wel snel meegegeven aan studenten in de tram die langs het pand rijdt.

Ook Marie-Anne Tellegen, als ex-studente een gewaardeerd medewerkster, levert haar bijdrage, vooral door het inschakelen van bevriende ambtenaren. Ze knoeien bij voorkeur met gezinskaarten: ze strepen kinderen van de kaart van hun ouders, en schrijven ze bij als echte kinderen op de kaart van hun pleegouders. Ook zorgt ze voor bonkaarten en kleding. In 1943 wordt Tellegen aangezocht als een van de hoofdverspreidsters van Vrij Nederland in de provincie Utrecht. Dat gebeurt na de splitsing in de leiding van het blad, waarbij een deel doorgaat met het nieuwe verzetsblad Trouw. Ze reist rond met koffers en tassen, ze moet haar zogeheten verspreidingspiramide vormen en in stand houden. Een deel van Vrij Nederland wordt trouwens enige tijd op de Maliebaan gedrukt, in de kelder van garage Grund op nummer 71. Marie-Anne Tellegen voelt zich echter niet erg thuis bij de organisatie van Vrij Nederland en zal later op andere plekken verzetsactiviteiten ondernemen.

Terug naar pand 72bis. M.A. Tellegen/J. Schwartz