Verhaal van pand 107. Onderduikadres familie Lensky

Joodse onderduiker, recht tegenover de Sicherheitspolizei

In dit woonhuis woonde de familie Van Ham, vader, moeder en zoontje. Zij hadden de ouders van de moeder in huis, op de eerste verdieping. Vanaf 1942 was er een joodse man ondergedoken, de violist Boris Lensky, samen met zijn vrouw, een zus van moeder Van Ham. Ze kregen in die periode op dit onderduikadres een dochtertje, Jetske. Boris Lensky had een nieuwe identiteit aangenomen – hij heette nu Karel van Marle – en kwam geregeld op straat. In die gevallen stak hij een exemplaar van het NSB-blad Volk en Vaderland in zijn zak. In het pand Maliebaan 107 was een schuilplaats geïmproviseerd, voor het geval er onraad was. Volgens mededelingen van de zoon des huizes Jan van Ham, toen een jaar of vier, is er een keer een razzia geweest op de oneven kant van de Maliebaan. Lensky hield zich toen schuil in de bergplaats. Toen hij nodig moest plassen, deed hij dat, om ontdekking te voorkomen, in een leren tabakszak. Lensky, zijn vrouw en zijn dochter zijn nog eens ijlings het huis uit geslopen, toen er bij opa en oma op de eerste verdieping een familielid met NSB-sympathieen op bezoek kwam. Ze konden bij familie elders in de stad de dag doorbrengen tot thuis de kust weer veilig was. Ze hebben de oorlog in veiligheid overleefd op Maliebaan 107, pal tegenover het kantoor van de Sicherheitspolizei.

Terug naar pand 107. Onderduikadres familie Lensky