Verhaal van pand 90. Winterhulp Nederland, Volksdienst NSB (kringhuis afd. Utrecht NSVO vanaf juni 1942)

Geen knoop van mijn gulp voor de Winterhulp

Het aantal Duitse en aan de bezetter gelieerde instanties aan de Maliebaan neemt in het najaar van 1940 snel toe. In oktober komt op nummer 90 het kantoor van de Winterhulp te zitten, de door Seyss-Inquart in het leven geroepen Nederlandse variant van de Winterhilfe. Dat was de Duitse organisatie die het sociale gezicht van het naziregime representeerde en de nood lenigde van die bevolkingsgroepen die het moeilijk hadden – de joden uitdrukkelijk uitgezonderd. De bedoeling van de Winterhulp Nederland is omschreven in artikel 2 van de stichtingsakte:

‘Het is de taak der Stichting om de in het bezette Nederlandse gebied levende behoeftige Nederlandse staatsburgers zonder aanzien des persoons hulp en ondersteuning te verschaffen.’

Zonder aanziens des persoons – daar klopt niet veel van. NSB-gezinnen worden duidelijk voorgetrokken, tegenstanders van de nieuwe orde kunnen de bijstand wel vergeten. De Winterhulp wil het benodigde geld vooral bijeenbrengen door collectes en loterijen. Er is ook wel sprake van verplichte afdracht van bedrijven en werknemers, maar daar komt bijna niets van terecht. De opbrengst van de collectes valt zwaar tegen; alleen de loterijen lopen aardig: de goklust wint het vaak van het principe. Maar het belangrijkste is: de bevolking ziet de Winterhulp niet als een nationale zaak, maar als een initiatief van de bezetter en de NSB. Seyss-Inquart probeert dat te voorkomen door een comité van aanbeveling te benoemen dat vooral uit niet-NSB’ers bestaat, maar daar kijkt iedereen doorheen. Winterhulp is Winterhilfe, en dus is Nederland tegen. De affiches die op straat hangen worden vaak voorzien van het opschrift ‘Nog geen knoop van mijn gulp voor de Winterhulp’.

In Utrecht wordt W.F. van Leeuwen de provinciaal directeur, en vanaf dat moment wordt de lezer van het Utrechtsch Nieuwsblad vrijwel dagelijks, vanaf Maliebaan 90, bestookt met persberichten over de activiteiten van de Winterhulp en vooral over de morele plicht van de burger zich daarvoor in te zetten en er geld aan te geven. Dat gaat op een vrij dwingende, soms zelfs licht agressieve manier. Als er eind van het jaar voor het eerst extra voedsel en andere steun is uitgedeeld aan sommige gezinnen schrijft directeur Van Leeuwen van Winterhulp Utrecht in een persbericht:

‘Nu de eerste uitdeling al is begonnen kan niemand meer uitvluchten fantaseren en zal iedereen moeten geven.’

Later in 1940 laat Winterhulp Nederland, geleid door Carel Piek (geen NSB’er, wel sterk pro-Duits) zijn oog vallen op de kerkelijke collectes. Er wordt op de kerken druk uitgeoefend om een deel van de opbrengst af te staan aan de Winterhulp. De kerken voelen daar niets voor, ze weigeren. Dan volgt de bezetter een andere weg. Het departement van Justitie eist van alle dominees en pastoors dat ze een collecteplan opstellen, waarin alle jaarlijkse collectes per kerk staan vermeld, plus de doelen waar het geld aan zal worden besteed. Justitie zal dan op grond daarvan beoordelen wat de kerken zelf mogen houden en wat niet.

De protestantse kerken weigeren pertinent. Aartsbisschop De Jong namens de katholieke kerk, na enige aarzeling, ook: de kerken doen niet mee en houden hun eigen liefdadigheid in stand.

 

Terug naar pand 90. Winterhulp Nederland, Volksdienst NSB (kringhuis afd. Utrecht NSVO vanaf juni 1942)