Verhaal van pand 35. Hoofdkwartier NSB

De vlucht van de NSB’ers

Maandag 4 september 1944, half negen. Maliebaan 35. Er staat een crisisvergadering te beginnen in het Hoofdkwartier van de NSB. Anton Mussert is erbij, en secretaris-generaal Huygen. Ook tweede man Kees van Geelkerken, en leider van de Germaanse SS Henk Feldmeijer en nog enige NSB-bestuurders. De spanning is te snijden. Kort voor de vergadering komt het bericht door dat de troepen van de Britten, Amerikanen en Canadezen al op Nederlands grondgebied zijn. Zojuist heeft minister-president Gerbrandy dat over de Londense radio gezegd. Luisteren naar Radio Oranje is weliswaar strafbaar, maar kennelijk niet voor het NSB-kader: de aanwezige partijtop heeft het bericht doorgekregen als de bespreking begint. Wat niemand dan weet is dat het bericht (en dus ook de bevestiging ervan, in het nieuws van negen uur van de BBC) berust op een misverstand.

Mussert opent de vergadering. Hij meldt dat Seyss-Inquart hem toestemming heeft gegeven voor evacuatie van vrouwen en kinderen van NSB’ers uit de meest bedreigde provincies: Limburg, Brabant, Zeeland en Holland. Op de vraag hoe dat georganiseerd is, moet Mussert het antwoord schuldig blijven. Dan valt Kees van Geelkerken tegen hem uit. Mussert heeft volkomen gefaald, hij had de evacuatie al lang geregeld moeten hebben, hij geeft geen leiding, aldus tweede man Van Geelkerken, die naar buiten toe altijd poeslief is voor zijn medestrijder van het eerste uur, maar nu binnenskamers enorm tekeer gaat.

Henk Feldmeijer, de voorman van de Germaanse SS, ziet zijn kans schoon om te laten zien dat hij wél over leiderscapaciteiten beschikt. Hij telefoneert, staande de vergadering, met Hanns Albin Rauter, de hoogste politieautoriteit, en krijgt van hem, onder voorwaarden, de toezegging dat er voor speciaal treinvervoer zal worden gezorgd.

Mussert heeft ook nog andere dingen aan zijn hoofd, persoonlijke besognes. Aan het eind van de vergadering, die voor hem op een ontluistering is uitgelopen, gaat hij zijn eigen zaken regelen. Zijn chauffeur rijdt voor en Mussert stapt in de auto, met zijn vrouw Rie én zijn minnares Miep, het 29-jaar jongere nichtje waarmee hij een liefdesrelatie is begonnen. De moeder van Miep, Helena Mijnlieff, is er ook bij, evenals een bevriend echtpaar. Een volle bak, met een uiterst curieus gezelschap dat naar Holterberg rijdt, waar Mussert het hele gezelschap onderbrengt in een hotel van een NSB-lid. We weten niets van de sfeer in die auto, de gespreksonderwerpen, de onderlinge blikken, het verdriet van Rie Mussert – daar kunnen we alleen maar naar gissen. Mussert zelf blijft niet in Holterberg, hij laat zijn vrouw en zijn minnares in hetzelfde hotel achter, in angst en onzekerheid ongetwijfeld: het hele land is in onzekerheid, dus zeker de entourage van de NSB-top. Mussert heeft nog meer te doen. Hij heeft in de kofferbak van de auto nog een forse kist staan, die hij laat begraven in de tuin van Helena Mijnlieffs huis in Naarden. Er zit een groot geldbedrag (20.000 gulden) en een fors pakket aandelen in. Daarna gaat Mussert terug naar Utrecht.

De volgende dag, Dolle Dinsdag, is het een chaos in Nederland. Overal zijn vluchtende Duitsers en NSB’ers te zien. Mussert rijdt rondjes in een open auto door Utrecht: hij wil laten zien dat hij plichtsgetrouw op zijn post blijft. Maar van zijn gezag is niet veel meer over.

Terug naar pand 35. Hoofdkwartier NSB