Verhaal van pand 40. Rooms-katholiek aartsbisdom

Agenten duiken onder na kerkelijk protest

http://www.youtube.com/watch?v=h8wNSFaMbY0

Aartsbisschop De Jong is weer voorzichtig aan het werk gegaan, al is hij nog lang niet hersteld van zijn beroerte. Maar zijn aanwezigheid aan het hoofd van de kerkprovincie is dringend gewenst: de deportaties van de joden uit Nederland gaan door, en het accent komt steeds meer te liggen op een jacht op degenen die zich niet hebben gemeld en op degenen die zich via onderduik aan melding proberen te onttrekken. In die periode bereiden de kerken een protest voor; eerst alleen tegen de verhevigde jacht op joodse medeburgers, daarna ook tegen het wegvoeren van studenten, als represaille tegen aanslagen. De diverse concepten worden samengebracht in één brief aan Seyss-Inquart, die op 17 februari 1943 bij hem wordt bezorgd en vier dagen later in in alle kerken wordt voorgelezen.

De brief bevat duidelijke taal: het wordt katholieken en protestanten verboden mee te helpen de recente maatregelen van de bezetter uit te voeren. Voor de katholieke kerk is het nog niet duidelijk genoeg. De bisschoppen besluiten, na raadpleging van hun adviseurs, het voorlezen van de brief aan Seyss-Inquart met eigen woorden in te leiden en af te sluiten. Daardoor klinken op 21 februari in de katholieke kerken nog deze woorden:

‘Wij voelen ons diep gegriefd door het feit, dat voor de uitvoering van de tegen deze twee groepen van personen (joden en studenten) genomen maatregelen de medewerking wordt geëist van onze eigen landgenoten zoals van autoriteiten, van ambtenaren, van bestuurders van inrichtingen. Beminde gelovigen, het is ons bekend, in welk een gewetensnood daardoor de betrokken personen geraakt zijn. Welnu: om alle twijfel en onzekerheid omtrent dit punt bij u weg te nemen, verklaren wij met alle nadruk, dat medewerking in dezen in geweten ongeoorloofd is. En, mocht het weigeren van medewerking offers van u vragen, weest dan sterk en standvastig in het besef, dat gij voor God en de mensen uw plicht doet.’

De brief leidt ertoe dat een groep van zes Utrechtse politieagenten aan de korpsleiding meedeelt niet langer mee te doen aan deportaties. Ze worden daar toch toe gedwongen en duiken dan onder. Van sommigen worden gezinsleden gearresteerd om de agenten te dwingen boven water te komen, maar ze blijven weigeren. Deze acties leiden tot allerlei gevolgen: meer agenten duiken onder, de verhoudingen binnen het politiekorps worden buitengewoon onaangenaam. Alle betrokken agenten overleven de oorlog wel.

Overigens heeft aartsbisschop De Jong altijd spijt gehad van zijn toevoeging aan de herderlijke brief dat ‘meewerken in geweten ongeoorloofd was.’ Het is wel in lijn met zijn standpunt, maar hij vond later dat hij dat niet had moeten schrijven: hij had de individuele politieagenten niet met het dilemma mogen opzadelen. De Jong heeft zijn hele leven geworsteld met de vraag of je van gewone agenten heldhaftigheid mag verlangen. Volgens zijn biograaf vond De Jong later van niet: hij was, toen de brief werd opgesteld in februari 1943, nog niet de oude geweest, had de controle op de gebeurtenissen nog onvoldoende teruggekregen en had teveel naar sommige adviseurs geluisterd – vond hij zelf, later.

 

Terug naar pand 40. Rooms-katholiek aartsbisdom