Verhaal van pand 40. Rooms-katholiek aartsbisdom

Aartsbisschop De Jong krijgt Duits bezoek

http://www.youtube.com/watch?v=SPUFSaO0QwU

Begin augustus 1941 doet zich, buiten het zicht van het publiek, een felle confrontatie voor tussen de bezetter en de rooms-katholieke kerk, en dan vooral aartsbisschop dr Jan de Jong, die resideert in zijn paleis op Maliebaan 40. Seyss-Inquart heeft besloten dat alle Nederlandse vakbonden onder de centrale leiding van NSB-coryfee Henk Woudenberg moeten komen. De bisschoppen zijn fel tegen, en De Jong heeft een brief geschreven waarin hij een fel protest laat horen. Die brief zal op zondag 3 augustus van de preekstoelen in alle katholieke kerken worden voorgelezen.

In de nacht van zaterdag 2 op zondag 3 augustus gaat aan de Maliebaan nummer 40 de telefoon. Het is half vier. Een Duitse stem vraagt de aartsbisschop te spreken. De huishoudster, Jule is haar naam, geeft de telefoon door aan de inmiddels wakker geworden dr. Geerdinck, de vicaris. Hij antwoordt dat het ‘niet gebruikelijk is dat de aartsbisschop zelf aan de telefoon komt’. De beller persisteert, het is hoogst urgent, hij wil nu direct langskomen. Geerdinck overlegt even met aartsbisschop De Jong, die inmiddels ook is opgestaan: ‘Zeg maar dat ze over een half uur kunnen komen.’

Het paleis is in rep en roer. Geerdinck bepaalt de tactiek: indruk maken. Jule moet op zoek naar de paarse staatsiesjerp, speciaal voor deze gelegenheid. De ‘rode zaal’ wordt in gereedheid gebracht, de meest imposante zaal van het gebouw, voorzien van kroonluchters.

Om vier  uur gaat de bel, Geerdinck doet open, leidt de twee in lichte regenjassen gehulde gasten naar boven, over de staatsietrap. Het zijn Untersturmführer en Kriminalobersekretär Max Hugo Matzker en zijn adjudant. Na een ongemakkelijke stilte leest Matzker een stuk van een telexrol voor die hij heeft afgerold. De tekst luidt dat Seyss-Inquart heeft verordonneerd dat de brief van het episcopaat de volgende dag niet mag worden voorgelezen. De reden is dat er onwaarheid in de brief staat (de arbeiders houden wel degelijk hun sociale instellingen) en ook dat er een brief van de Duitse bisschoppen wordt geciteerd, wat de rijkscommissaris beschouwt als een ‘ongeoorloofde inmenging in buitenlandse aangelegenheid’. Als Matzker klaar is met voorlezen, knikt de aartsbisschop: hij heeft het begrepen. De adjudant voegt er nog aan toe dat het nog mogelijk is alle parochies telefonisch te bereiken en daarmee het bevel van de rijkscommissaris uit te voeren.

Geerdinck vraagt dan: is de opdracht hiermee vervuld?

Ja, zegt Matzker. Daarop vertrekken de heren weer.

Hierna bellen De Jongs medewerkers direct de andere bisschoppen om verslag te doen. Met de mededeling: de voorlezing gaat gewoon door, we nemen het verbod voor kennisgeving aan.

Aartsbisschop De Jong loopt de volgende ochtend door de stad naar de Catharijnekerk aan de Lange Nieuwstraat. Daar neemt hij plaats op zijn vaste kerkbank en luistert daar naar zijn eigen woorden. Voor De Jong blijven de gevolgen uit. Hij wordt niet gearresteerd, al houdt hij er wel rekening mee. De Jong leeft in grote bezorgdheid: wat gebeurt er met de individuele pastoors en kapelaans die zijn woorden voorlezen, maar zelf de gevolgen te dragen krijgen? Voor die bezorgdheid is alle reden. De komende dagen bereiken hem slechte berichten uit alle hoeken van katholiek Nederland. Er zijn verschillende priesters en vakbondsleiders gearresteerd. De Jong krijgt zelf slechts een boete, van 500 gulden. De dagen na de publicatie van de boete komen er op Maliebaan 40 talloze giften binnen, kwartjes soms.

Terug naar pand 40. Rooms-katholiek aartsbisdom